Persbericht

-- 16 mei 2012

 

Antwoorden Coevorder college op vragen over intentieovereenkomst verbazen PAC:

B&W van Coevorden willen raad geen inzage geven voor ondertekening van de intentieovereenkomst over het ‘Rabobankgebied’

De antwoorden van het college op de vragen van het PAC over de intentieovereenkomst zijn binnen. Die overeenkomst zou klaar moeten zijn, omdat die vorige week al, gelet op het raadsvoorstel, getekend zou worden. Dat kon vanwege het uitsel van behandeling van de ‘overkoepelende’ samenwerkingsovereenkomst van 8 mei jl. naar 22 mei a.s. niet gebeuren. De PAC fractie had gevraagd om inzage in de intentieovereenkomst.

De antwoorden van het college bevestigen dat het in het hele dossier om meer gaat dan om de verkoop van twee panden en gedeeltelijk terug huren daarvan. Het is duidelijk dat het college een akkoord heeft bereikt met de ontwikkelaars voor een ontwikkeling van het gebied. Maar het college wil de raad buiten de precieze inhoud van de intentieovereenkomst houden. Letterlijk schrijft het college: “Het sluiten van een intentieovereenkomst is een bevoegdheid van het college. Na het moment van ondertekening van de intentieovereenkomst zullen wij u in kennis stellen daarvan.” Dit is voor het PAC onacceptabel, gelet op lid 4 van artikel 169 van de gemeentewet.

De PAC fractie heeft zich nu in een brief aan alle raadsleden gewend met het oog op de behandeling van het raadsvoorstel op 22 mei a.s. In de brief analyseert de PAC fractie de antwoorden van het college. Verder vraagt de fractie alle raadsleden om steun voor het standpunt dat de raad het recht heeft zich uit te spreken over de bedoelde intentieovereenkomst voorafgaande aan de ondertekening.

 

Bijlagen:

  • Vragen van de PAC fractie (rood) met de antwoorden van het college (als PDF)

    Aanleiding voor de vragen is:

    In het Raadsvoorstel staat: “OMC heeft de intentie om de Rabobanklocatie en de notaristuin te kopen, waarna herontwikkeling op deze plek zal plaatsvinden met een parkeergarage, commerciële functies en woningen. Hiertoe is een intentieovereenkomst tussen de gemeente en OMC in voorbereiding, die straks, tegelijkertijd met voorliggende overeenkomsten getekend zal worden.”

    De samenwerkingsovereenkomst zou deze week getekend worden. D.w.z. dat de intentieovereenkomst waarvan het raadsvoorstel melding maakt nu ook klaar zou moeten zijn.


    Mijn vragen luiden:

    1. Wat is de concrete inhoud van de intentieovereenkomst waarvan in het raadsvoorstel sprake is? (Hierbij het verzoek om deze voor de raad ter inzage te geven).

    In de intentieovereenkomst tussen OMC en gemeente wordt de intentie uitgesproken tussen partijen om de haalbaarheid van het initiatief van OMC te onderzoeken. De dimensies die van de zijde van de gemeente in het kader van de haalbaarheid aan de orde komen zijn in ieder geval de relevante beleidsterreinen en –documenten, zoals het distributieplanologisch onderzoek, het vigerende bestemmingsplan, het beeldkwaliteitsplan, het Masterplan/Wensbeeld en de woningbouwstrategie. De rol van de gemeente is faciliterend en toetsend. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen over de beëindiging van de intentieovereenkomst, onder meer wanneer de conclusie moet worden getrokken dat het initiatief niet haalbaar blijkt te zijn.

    Het sluiten van een intentieovereenkomst is een bevoegdheid van het college. Na het moment van ondertekening van de intentieovereenkomst zullen wij u in kennis stellen daarvan. 

    Ten overvloede benadrukken wij dat een en ander onverlet laat dat wij ingeval de vanwege OMC te ontwikkelen plannen zich niet (volledig) verhouden tot de door uw raad vastgestelde kaders voornoemd, wij bij uw raad zullen terugkomen voor (eventuele) bijstelling van die kaders.


    1. Is het juist, gelet op de hierboven geciteerde passage uit het raadsvoorstel, te veronderstellen dat het college van plan is samen met of ongeveer gelijktijdig met de samenwerkingsoverenkomst een intentieovereenkomst te tekenen over de invulling van de “Rabobanklocatie”?

    De intentieovereenkomst met OMC wordt niet gelijktijdig, maar na de samenwerkingsovereenkomst ondertekend.


    1. Waarom heeft u de intentieovereenkomst niet al aan de raad ter inzage gegeven t.b.v. de besluitvorming die voor 8 mei jl. gepland was?

    Het sluiten van een intentieovereenkomst in de zin zoals hier thans aan de orde is, is een bevoegdheid van het college. Met deze overeenkomst wordt de intentie uitgesproken om de haalbaarheid van een privaat initiatief te onderzoeken. Daarnaast is het zo dat op dit moment nog geenszins vaststaat dat het initiatief ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Hierover zullen eerst gesprekken moeten worden gevoerd, waarin de ruimtelijke impact en uitstraling aan de orde zullen komen. De intentieovereenkomst is bedoeld om het haalbaarheidsonderzoek en de daarvoor benodigde gesprekken met de initiatiefnemer mogelijk te maken. Wij achten het tot onze bevoegdheid om een intentieovereenkomst met deze strekking te sluiten.

  • Brief van de fractie aan alle raadsleden (als PDF)


    Aan de leden van de gemeenteraad van Coevorden.


    Onderwerp:      beoogde intentieovereenkomst gemeente Coevorden – OMC voor “Rabobank-                                          gebied” stad Coevorden (zie raadsvoorstel)

    Datum:            16 mei 2012


    Geachte collegae raadsleden,

    In de discussie in kamer 1 over het raadsvoorstel  is tot nu o.i. de volgende passage nog niet goed aan de orde gekomen: “OMC heeft de intentie om de Rabobanklocatie en de notaristuin te kopen, waarna herontwikkeling op deze plek zal plaatsvinden met een parkeergarage, commerciële functies en woningen. Hiertoe is een intentieovereenkomst tussen de gemeente en OMC in voorbereiding, die straks, tegelijkertijd met voorliggende overeenkomsten getekend zal worden. De vragen die wij hierover hebben gesteld zijn inmiddels beantwoord (u door de griffie vandaag toegestuurd).


    De situatie is dus dat het raadsvoorstel verwijst naar een intentieovereenkomst die tegelijkertijd met voorliggende overeenkomsten getekend zou/zal worden, zonder dat de raad het document kent. Met het antwoord op onze 2de vraag (B&W: “De intentieovereenkomst met OMC wordt niet gelijktijdig, maar na de samenwerkingsovereenkomst ondertekend.”) miskent het college de betekenis van de eigen formueringen in het raadsvoorstel. Daar is sprake van “voorliggende overeenkomsten”. Dat zijn de samenwerkingsovereenkomst, maar ook de koopovereenkomsten en de huurovereenkomst, waarvoor in de samenwerkingsovereenkomst een precieze datum (10 mei 2012) is opgenomen. Het raadsvoorstel zegt dus: ondertekening van de intentieovereenkomst op 10 mei. Wat ook het plan van het college nu moge zijn: de tekst van het raadsvoorstel is helder. De strekking  van de beoogde intentieovereenkomst is bekend via het citaat boven uit het raadsvoorstel. Onze conclusie: Het college heeft een akkoord bereikt met de ontwikkelaars  voor een ontwikkeling van het gebied. Het gaat dus niet over ‘slechts’ de verkoop van twee panden, waarvan één tijdelijk en gedeeltelijk wordt terug gehuurd. Ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst is, gelet op het raadsvoorstel, zich verbinden via een intentieovereenkomst.


    Het kan o.i. niet zo zijn, dat het college de intentieovereenkomst niet aan de raad voorlegt en de raad niet de gelegenheid geeft hierover een uitspraak te doen alvorens te tekenen. Het college is echter niet van plan de raad die gelegenheid te geven. Letterlijk schrijft het college: “Het sluiten van een intentieovereenkomst is een bevoegdheid van het college. Na het moment van ondertekening van de intentieovereenkomst zullen wij u in kennis stellen daarvan .“  In artikel 169 van de gemeentewet is o.i. geregeld, dat dat wel zou moeten gebeuren. We kunnen ons niet voorstellen dat de raad van Coevorden geen uitspraak over de genoemde intentieovereenkomst ten aanzien van het “Rabobankgebied” wil doen, uiteraard na deze bestudeerd te hebben. Alle andere contracten, die het college met de ontwikkelaars wil tekenen liggen trouwens wel ter inzage.

    Het gaat dus op 22 mei a.s. om méér dan de verkoop van twee panden! Het is o.i. juridisch gezien zeer riskant voor de gemeente (op college niveau) zich te binden aan een akkoord met de ontwikkelaars voor het Rabobankgebied door de samenwerkingsovereenkomst te tekenen, omdat de ontwikkelaars daarna o.i. al rechten kunnen ontlenen aan o.a. de tekst van het raadsvoorstel ten aanzien van de inhoud van de intentieovereenkomst. Nog afgezien van wat wellicht allemaal is besproken en al overeen is gekomen in besprekingen met de ontwikkelaars. Ook op raadsniveau is het o.i. zeer onwenselijk op deze manier gecommitteerd te raken aan een akkoord over een ontwikkeling van het “Rabobankgebied”, zonder de precieze inhoud en letterlijke tekst van de voorgenomen intentieovereenkomst te kennen.


    Wij sturen u deze brief om twee redenen. Ten eerste: we willen u wat onze zienswijze betreft ten aanzien van de intentieovereenkomst niet verrassen in het debat van 22 mei a.s. en uiteraard graag medestanders verwerven voor onze positie. Ten tweede: wat u ook inhoudelijk van onze positie t.a.v. het dossier vindt, wij vragen u allen om steun voor het standpunt dat de raad het recht heeft om zich uit te spreken over een intentieovereenkomst zoals bedoeld in het raadsvoorstel.


    Met vriendelijke groeten,

    Namens de fractie van het PAC,

    Bernhard Ensink (fractievoorzitter).
  • Tekst Artikel 169 Gemeentewet

    • Artikel 169

    1.Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan de raad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur.

    2.Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

    3.Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.

    4.Zij geven de raad vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In het laatste geval neemt het college geen besluit dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

    5.Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid de raad zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit.



Voor meer informatie:

 

Bernhard Ensink,

telefoonnummer:  0524-851161 of 06-41744350

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Deel dit artikel op

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn